Ik was op zakenreis in Parijs, rechtstreeks met de Thalys vanuit Amsterdam. De zon prikte genadeloos door het treinraam, maar ik hield me schuil achter mijn zonnebril. Mijn huid is te bleek, te gevoelig. Aangekomen zocht ik koelte in het Lauderdale, een Amerikaans biertje-lokaal vlakbij mijn hotel. Tien uur ‘s ochtends, een pint Antipode in mijn hand. Ik nipte langzaam, de koude bubbels prikten op mijn tong.

Daar kwam zij binnen. Myriam, een Québécoise van in de veertig, strak pak, bankiersblik. Ze ging naast me zitten, bestelde hetzelfde. ‘Tabarnak, wat een hitte,’ zei ze met dat zwoele accent. We praatten. Kunst. Zij kocht werken van extreme artiesten. Ik vertelde over mijn reizen, de vrijheid ver van huis. Geen man, geen verplichtingen. Haar ogen lichtten op. ‘Kom mee naar mijn galerie. Het is… bijzonder.’ Ik aarzelde. Maar de spanning knetterde al. Haar parfum, muskusachtig, hing in de lucht.

De Toevallige Ontmoeting en Opbouwende Spanning

We liepen naar haar gebouw. Buiten brandde de zon, zweet parelde op mijn nek, zoutig als zee. Lift naar de kelder, second ondergrond. Haar koninkrijk van schaduw. Geen lampen, alleen rode kaarsen in nissen. Flakkerend licht op muren vol schilderijen. Geweld. Lichamen verminkt, verkracht, gekruisigd. Bloed, vlees, extase in pijn. Ze was de kunstenaar, fotofobisch, haar huid witter dan melk. ‘Dit ben ik,’ fluisterde ze bij een naakt Christus, effeminien, haar eigen spiegelbeeld. Ik huiverde. Niet van afschuw, maar opwinding. De anonimiteit hier, onder de stad, maakte alles mogelijk.

Ze vertelde haar geheim. ‘Over twee weken snijden ze mijn tieten weg. Kanker. Metastasen.’ Tranen in haar ogen, maar vastberaden. Ze gaf me een touw uit haar tas. ‘Voor mijn zelfmoordplannen. Nu niet meer nodig.’ Ik pakte het aan, voelde de ruwe vezels. Onze handen raakten elkaar. Lang. Haar vingers trillend. ‘Wil je poseren voor me later? Naakt, gewond, echt.’ Ze lachte bitter. ‘Als ik leef. Maar nu… nu wil ik leven.’ De spanning barstte. Ze trok me naar zich toe. Onze lippen botsten. Hard. Tongen worstelend, smaak van bier en zweet.

De Rauwe Passie en het Nagenietende Afscheid

In de atelierhoek, op een matras tussen doeken. Kaarsen wierpen schaduwen over onze lichamen. Ze rukte mijn blouse open, mijn tepels hard van de koelte en lust. ‘Jouw huid zo glad,’ gromde ze. Ze zoog aan mijn tepels, beet zacht, zout zweet op haar tong. Ik kreunde, echoënd in de kelder. Mijn handen in haar haar, duwde haar omlaag. Ze knielde, trok mijn rok omhoog. Geen slipje, ik was al nat. ‘Kijk die poes, glinsterend.’ Haar tong likte mijn klit, cirkels, zuigend. Ik beefde, benen wijd. ‘Neuk me met je vingers,’ hijgde ik. Twee, drie vingers diep in mijn druipende kut, pompend. Ik spoot bijna, sappen op haar hand.

Ik draaide haar om. Haar tieten, vol en zwaar, nog intact. Ik kneep erin, zoog de tepels rood. Ze kreunde Frans, ‘Baise-moi, salope.’ Ik schuurde mijn poes op de hare, klitten wrijvend, nat en heet. Zweet droop, zout op onze huid. Ze kwam eerst, schokkend, gillend. Toen ik, golf na golf. We likten elkaar schoon, smaak van kut en zweet vermengd. Geen tijd voor meer. ‘Ik moet weg, vlucht naar Québec,’ zei ze, hijgend. Kleren aan, kusje. Anoniem, perfect.

Terug in mijn hotel, airco koel op bezwete huid. Drapen stijf van hotelwas. Ik dacht aan haar, de touw in mijn tas, de belofte. Morgen de trein terug. Dit moment, puur, vrij. Niemand kent ons. De herinnering brandt nog, maakt me weer nat. Volgende reis, wie weet.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *