Ik was op zakenreis in Parijs, begin jaren 80. Uit Amsterdam met de trein, eindelijk weg van huis, man en routine. Vrijheid ruikt naar croissants en uitlaatgassen. Check-in in een Haussmann-hotel, kamer muf van oude tapijten, airco bromt zacht. Beneden in de bar, glas wijn in hand, voel ik ogen. Hij zit aan de toog, jong, gespierd, artsenblik. Fransman, Pierre, zegt hij. Praat over zijn werk in een kliniek. Ik lach, benen kruis ik, rok schuift op. ‘Je bent mooi,’ mompelt hij, hand op mijn knie. Hart bonkt. Buiten toetert verkeer, binnen hitte stijgt. ‘Kom mee,’ zeg ik hees. Nee, hij leidt, naar zijn kamer. Lift piept, zijn adem in nek heet.

Deur slaat dicht. Airco koelt niet genoeg, zweet parelt al. Hij duwt me tegen muur, kust hard, tong duwt binnen. Smaak van rode wijn en sigaret. ‘Kleed je uit,’ beveelt hij. Ik aarzel, trek rok omhoog, string zichtbaar. ‘Alles.’ Trui over hoofd, bh los, borsten zwaar, tepels hard. Hij grijnst, ritst broek open, lul springt eruit, dik, kloppend. ‘Zuigen.’ Ik kniel, neem hem in mond, tong over eikel, zoutig voorvocht. Hij gromt, handen in haar, duwt dieper. Keel vol, tranen prikken. ‘Goed zo, sletje.’ Sta op, hij draait me om, string omlaag, vingers in kut, nat al. ‘Je bent geil hè?’

De Toevallige Ontmoeting en Opbouwende Spanning

Hij smijt me op bed, lakens stug hotelkatoen, kreukelig. Benen wijd, lul tegen lippen, stoot erin. Hard, diep, geen genade. ‘Aaah!’ gil ik, pijn en genot mixen. Hij pompt, klapt hand op kont, rood brandt. ‘Neem het, Nederlandse hoer.’ Ik kronkel, kut knijpt, sappen druppen op lakens. Hij trekt eruit, draait me, lul in mond weer, mijn geur erop. ‘Lek op.’ Ik lik gulzig, hij gromt. Dan op schoot, ik rij hem, borsten schudden, nagels in rug. ‘Harder!’ Hij klapt tepels, bijt schouder, zout zweet lik ik van zijn hals. Kom klaar, schreeuw, spuit bijna. Hij draait levrette, ramt door, ballen slaan tegen clit. ‘Ik spuit in je!’ Vullend, warm, druipt uit. Trillend neervallen, hij kust ruw. ‘Nog een keer?’

We hijgen, lichamen plakkerig. Hij belt, ‘thuis wacht niemand.’ Ik lach, kleed me, string nat in tas. Kus vluchtig, ‘tot nooit.’ Trap af, trein wacht morgen. Buiten Parijs ruikt naar regen, herinnering brandt: zijn lul in me, klappen, anonimiteit. Thuis vertel ik niks, maar masturbeer eraan. Vrijheid van reizen, puur lust. Nooit zijn naam gegoogeld, perfect zo.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *